U bevindt zich hier: Startpagina // Gedichten

JONGENSWEG

Jongensweg

Hij draafde door het zand als levensdriftig paard
verbaasd op hoge benen naar een wereld
die niet wachtte.

Zo’n jongen hadden wij gewild: een echte bitterhuid
met honger in zijn lange lijf en half ontwaakte lust
naar tijd van vlees en lange nachten.
Dus vraag me niet naar vroeger
maar spuw de pitten uit en vraag me niet –

niet naar de dag dat hij, alleen en boven op het duin,
zag hoe het daar begraven lag:
een zwembroek, blauw met loze bolling,
witte strepen.
Hij sprong er overheen en stopte,
trok het aan. Vraag het me niet
omdat we beiden weten dat de tijd, oneetbare olijf,
verdroogde
voor hij barstte.

Het zand dat in de naden zat,
het moest wel schrijnen op zijn vilten huid en op de grens
van aangenaam en pijn, het zilte kruit
verborgen nog tot het moment
waarop hij ooit een man zou zijn.
Zo’n jongen hadden wij gewild.

Dus zeg me niet hoe hij het wegsmeet
omdat het hem niet paste,
maar zeg me hoe zijn spieren spanden,
en leg me uit waarom hij dacht, terwijl hij naar het water rende,
dat daar een wereld was die op hem wachtte.

Maar vraag me niet waarom hij
op zijn mager lijf de golven breken liet
en niet naar ons
maar naar de branding lachte.

Voor meer informatie