U bevindt zich hier: Startpagina // Gedichten

ONTMASKERING

ONTMASKERING

Men vroeg hem hoe het kwam dat hij zich over niets verbaasde,
niet over kievitsei of moordaanslag
noch dat de naald van een kompas
naar ’t noorden wijst of hoe een ruit bewaasde
van warme adem op een winterdag,
of hoe lang vonken gloeien in de as.

Men vroeg hem of hij was bevroren
en of hij dan als kind de zon niet breken liet
in prisma’s, en speelde met de kleuren op zijn handen.
Of was zijn hart soms doodgeboren,
zijn ziel van antraciet,
zijn lachen enkel knarsetanden?

Hij zei alleen: ‘Eens kwam een man tot mij, een jongen haast,
met hem ben ik gevlucht naar verre landen
waar ik mij kussen en beminnen liet.
Daar smolt graniet tot magma
en werd het water wijn
tot aan de dag dat hij het leven liet;
sindsdien schuilt vreugde achter pijn.
Dat, ja dat heeft mij verbaasd.’

Voor meer informatie